Geschiedenis van de Fredericuskerk naar een publicatie van M.H. de Vries / G.Yedema ‘In vogelvlucht’. ( 1981 )

Geschiedenis

Op de plaats waar nu de Nederlands Hervormde kerk staat bevond zich het eerste, tufstenen, kerkje van het kleine dorp. Wanneer dit is afgebroken is niet bekend, het komt nog voor op een prent uit 1722. Na de Reformatie werden de katholieke diensten gehouden in een schuur. Steggerda was een onderdeel van de missiestatie Steenwijkerwold. In 1693 werd een zelfstandige statie met een eigen priester, die o.a. ook de dorpen Oldemarkt, Peperga, Noordwolde en Makkinga bediende. In 1759 werd een nieuwe schuilkerk gebouwd, een schuur waarin een verdieping: beneden paarden en boven kerkruimte. De priester woonde in een klein aangebouwd woonhuis. De eerste echte kerk kwam in 1839 in de buurtschap Overburen. Hier werd ook het eerste katholieke kerkhof van Friesland aangelegd.

In 1853, bij het herstel van de kerkelijke hiërarchie, werd de statie een parochie. Tot het gebied van deze parochie horen, ook nu nog vijftien kleine dorpen en buurtschappen.

In 1870 werd reeds een kerkfonds ingesteld om te zijner tijd de slecht gebouwde Overburenkerk te vervangen.

Tot nieuwbouw kwam het eerst in 1920. Toen werd naar ontwerp van architect Wolter te Riele de huidige kerk aan de straatweg gebouwd. Het is een voorbeeld van de laatste fase van de 19de eeuwse neogotiek. De kerk in de Overburen is kort na de in gebruik name van de nieuwe kerk in 1921 afgebroken, het oude kerkhof is gedeeltelijk nog aanwezig. Na de bouw heeft de kerk geen veranderingen ondergaan. Vrij kort geleden zijn de gewelven en de ramen schoongemaakt en zijn de leien van het dak vernieuwd.

 

Exterieur

Het exterieur van de driebeukige kerk met transept volgt nauwkeurig het interieur. De portaaltravee is verlaagd, de ingangspartij verdiept, rond de deur een geprofileerde omlijsting, hierboven smalle ramen. Het middenschip is hoog opgetrokken en heeft dakkapellen, de zijbeuken zijn verlaagd. De transeptarmen hebben een zadeldak. Op het middelpunt van het transept, de viering, staat de achtkante toren waarop een hoge spits. Het koor is afzonderlijk uitgebouwd. Metselwerk in donkere baksteen, eenmaal versneden steunberen. Achter de kerk bevindt zich het zeer grote kerkhof met een voor Friesland unieke Calvarieberg.

 

Interieur

Vergeleken met kerken uit de bloeiperiode van de neogotiek is het interieur sober. Het schip heeft vier traveeën of raamvlakken, het transept twee. Metselwerk in zachte tinten. Aan de wanden zijn de dwerggalerijen een opvallend gotisch element. Op de kruisribgewelven van het middenschip bloem schilderingen, in de zijbeuken engelen met bijbelteksten, in het koor sterren met het Lam Gods op de sluitsteen. De ramen vertonen de acht zaligsprekingen, bij elke tekst een heilige met bij de tekst behorend attribuut. In het schip verder mooie koperen kronen en de kruiswegstaties, aan de wanden de wijdingskruisjes. Achterin vier beelden, resp. Gerardus Majella, Franciscus van Assisië, Anthonius van Padua en de heilige Jozef. Dit laatste bevond zich vroeger in de Jozefkapel in de zuider transeptarm. De doopkapel, op de liturgisch juiste plaats, is nu een Mariakapelletje. Het transept hoger dan schip en koor, heeft extra lichtinval door tweemaal drie roosvensters.

De ramen aan de zuidzijde tonen de heilige familie, St.Jozef en de patroonheilige van de kerk, Fredericus van Utrecht. Aan de noordzijde: Fredericus predikend in Friesland en zijn marteldood. In elke arm bevindt zich een biechtstoel, aan de triomfboog het vieringskruis met de vier evangelisten op de uiteinden.

In de voormalige Jozefkapel is geen altaar meer aanwezig, wel ziet men nog de nis voor de ampullen. In de ramen: het huwelijk van Jozef en Maria, de vluchtnaar Egypte en het sterfbed van Jozef. De twee doeken die hier staan opgesteld hebben deel uitgemaakt van het kleed over de communiebank. Zij beelden twee symbolen uit van de Eucharistie: de pelikaan en de drinkende herten. Hier bevindt zich ook de moderne koperen doopvont.

De beelden van Fredericus en van Isidorus, patroon van de landbouwers, zijn, evenals de beelden achterin, vermoedelijk afkomstig uit de Overburenkerk.

De Mariakapel heeft een modern altaar. De ramen tonen hier het huwelijk van Anna en Joachim, de geboorte van Maria, het terugvinden van Jezus in de tempel, de kroning van Maria.

In het koor het hoogaltaar met een bronzen retabel van de Utrechtse edelsmid Leo Brom. In de mandorla de kruisiging, naast Christus engelen, Maria en Johannes. Onder de altaartafel, die vermoedelijk afkomstig is uit de oude kerk, het offer van lzaak en van Melchisedec. Op het tabernakeldeurtje twee wakende engelen.

De ramen in het koor: twee engelen, de boodschap aan Maria, de geboorte val Christus, de Hof van Olijven, de kruisiging, de verrijzenis, de nederdaling van de Geest, twee engelen.

Het nieuwe altaar bestaat uit delen van de oude communiebank. Hierop vier reliëfs: het Lam Gods, vogels en druiven als symbool van het beloofde land, vissen en broden van de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging, de eenhoorn als symbool van de Verlosser. De preekstoel is het werk van pastoor Johannes Schutte, die hier stond van 1859 – 1885. Vermoedelijk is ook de oude doopvont van zijn hand. Op de kansel de vier evangelisten, op het rugschot Willibrordus met hetzij Bonifatius hetzij Fredericus. Op de toren boven het klankbord Christus die de apostelen uitzendt naar alle volkeren.

Het orgel is een incompleet instrument van onbekende herkomst. Mogelijk is het tijdens de bouw aangekocht, de Overburenkerk beschikte alleen over een harmonium.